Hans Christian Andersen

Nederlands

Er was eens een koopman die zo rijk was dat hij de hele straat en bijna een zijstraatje bovendien kon plaveien met zilvergeld. Maar dat deed hij niet, hij wist zijn geld wel op een andere manier te besteden; als hij een stuiver uitgaf kreeg hij er een daalder voor terug; zo"n voortreffelijke koopman was hij — en toen stierf hij.

In een tuin groeide een rozestruik die helemaal vol rozen stond, en in een ervan, de mooiste van alle, woonde een elf. Hij was zo pieterig klein dat een menselijk oog hem niet kon zien; achter elk blaadje van de roos had hij een slaapkamer; hij was welgevormd en mooi als een kind maar wezen kon en had vleugels die van zijn schouders tot zijn voeten reikten. O, wat rook het heerlijk in zijn kamers en wat waren de muren mooi! Het waren immers de rose bloemblaadjes.

Ver hiervandaan, daar waarheen de zwaluwen vliegen als het bij ons winter is, woonde een koning en die had elf zonen en één dochter, Elisa. De elf broers, de prinsen, gingen naar school met een ster op de borst en een sabel opzij; ze schreven op een gouden lei met een diamanten griffel; ze konden net zo goed van buiten als van binnen leren;

O, wat hadden de kinderen het goed, maar zo zou het niet altijd blijven!

Nu moet je eens horen!

Buiten op het land, dicht bij de weg, lag een landhuis; je hebt het zeker zelf wel eens gezien!

De arme Johannes was toch zo bedroefd, want zijn vader was erg ziek en kon niet meer beter worden. Ze waren maar met zijn beidjes in hun kleine kamer; de lamp op de tafel was bijna leeggebrand; en het was laat op de avond. "Je was een beste zoon, Johannes!" zei de zieke vader. "Onze Lieve Heer zal je wel verder helpen in de wereld!" En hij keek hem met ernstige, vriendelijke ogen aan, haalde heel diep adem en stierf; het was net of hij lag te slapen.

Er was eens een oude dichter, zo'n echte, brave, oude dichter. Op een avond toen hij thuis zat brak er een vreselijk onweer los; het stortregende, maar de oude dichter zat warmpjes en wel bij zijn kachel waar het vuur brandde en de appels sisten.

"De arme stakkers die in dit weer buiten zijn, houden geen droge draad aan hun lijf," zei hij, want hij was een brave dichter.

"Help, doe open! Ik bibber van de kou en ik ben zo nat!" riep een kind buiten. Het huilde en klopte op de deur. En de regen viel bij stromen neer en de wind rukte aan alle ramen.

Mijn arme bloemen zijn helemaal dood," zei kleine Ida. "Gisteravond waren ze nog zo mooi en nu zijn alle blaadjes verwelkt. Hoe komt dat?" vroeg ze haar neef die op de bank zat, want ze hield zoveel van hem, hij kende de allermooiste verhaaltjes en hij kon zulke leuke knipsels maken: hartjes met kleine dansende juffertjes erin, bloemen en grote kastelen waarvan je de deuren open kon doen.

"Waarom zien de bloemen er vandaag zo slecht uit?" vroeg ze weer en ze liet hem een boeket zien dat helemaal verwelkt was.

In een dorp woonden eens twee mensen die allebei dezelfde naam hadden: ze heetten allebei Claus, maar de een had vier paarden en de ander had er maar één. Om ze uit elkaar te kunnen houden, noemden de mensen de man die vier paarden had, grote Claus en de man die maar één paard had, kleine Claus. En nu gaan we horen hoe het die twee verging, want dat is een waar verhaal!

Er kwam een soldaat over de straatweg aanmarcheren: Een, twee! Een, twee! Hij had zijn ransel op zijn rug en een sabel aan zijn zij, want hij was in de oorlog geweest en nu was hij op weg naar huis. Toen kwam hij op de straatweg een oude heks tegen. Ze was afschuwelijk lelijk; haar onderlip hing helemaal op haar borst. Ze zei: “Goeienavond, soldaat! Wat heb je een mooie sabel en een grote ransel. Jij bent een echte soldaat. Jij krijgt zoveel geld van me als je maar wilt!”

“Nou graag, oude heks!” zei de soldaat.

Pagina's

The CiffCiaff is seeking intrepid volunteers to add contents or translate the existing one.
If you’d like to help contact us!
Abonneren op RSS - Hans Christian Andersen
© 2010 CiffCiaff.org.