Hans Christian Andersen

Nederlands

“Dat is een liedje voor heel kleine kinderen,” verzekerde tante Malle. “Ik kan het met de beste wil van de wereld niet volgen.”

Dat kon de kleine Amalie wel. Ze was pas drie. Ze speelde met poppen, die voedde ze zo op dat ze even verstandig zouden worden als tante Malle.

Nu ga ik een verhaaltje over het geluk vertellen. Het geluk kennen we allemaal.

Sommigen zien het jaar in, jaar uit, anderen alleen in sommige jaren, of maar één dag. Er zijn zelfs mensen die het maar één keer in hun leven zien, maar het tegenkomen doen we allemaal.

Er was eens een jonge man die voor dichter studeerde, tegen Pasen hoopte hij klaar te zijn, dan wilde hij trouwen en van gedichten-makerij leven en dat is, wist hij, niets dan verzinnen, maar hij kon niet verzinnen.

Hij was te laat geboren, alles was al behandeld vóór hij ter wereld kwam, over alles was al gedicht en geschreven.

"Die gelukkige mensen die duizend jaar geleden geboren werden," zei hij.

Er was op de stoomboot een oud uitziende man die zo vergenoegd keek dat, als zijn gezicht niet loog, hij de gelukkigste mens op aarde moest zijn.

Vader en moeder en alle broertjes en zusjes waren naar de komedie; alleen de kleine Anna en haar peetoom waren thuis. "Willen wij óók komedie spelen?" zei hij, "die kan dadelijk beginnen." "Maar we hebben geen toneel," zei de kleine Anna, "en wij hebben niemand om te spelen! Mijn oude pop kan niet, want zij is zo lelijk en mijn nieuwe mag haar mooie kleren niet kreukelen." "Je kan altijd toneelspelers krijgen, als je maar neemt wat je hebt," zei peetoom. "Nu zetten wij het toneel op.

Er was eens een trotse theepot, trots op zijn porselein, trots op zijn lange tuit, trots op zijn brede oor: hij had wat van voren en wat van achteren, de tuit van voren, het oor van achteren, en daar praatte hij over. Maar hij praatte niet over zijn deksel, dat was gebroken, dat was gekramd, dat had gebreken; over zijn gebreken praat men niet graag, dat doen anderen wel. Koppen, melkkannetje en suikerpot, dat hele theegerei zou zeker meer over de zwakheid van het deksel denken en praten dan over het mooie oor en de voortreffelijke tuit; dat wist de theepot.

Nu vlieden zij weg van het Deense strand
Naar verre landen en kusten.
Wij willen in het heerlijke Griekenland
Bij diepblauwe wateren rusten.

Daar buigt de citroenstruik, zo rijk bedeeld,
Haar goudgele vruchten ter aarde,
De distel groeit naast het marmeren beeld,
Waarom zich eens Hellas vergaarde.

Nu dwaalt de herder door het eenzame land,
Zo vol van legenden en sagen.
Hoor, hij vertelt van de vriendschapsband.
Een gebruik uit vroegere dagen.

In de stad Florence, niet ver van de Piazza del Granduca, is een kleine dwarsstraat, ik geloof dat zij Porta Rossa genoemd wordt; in dat straatje, vóór een soort bazaar waar groente verkocht wordt, ligt een kunstig, uitstekend gemodelleerd bronzen varken. Het frisse, heldere water stroomt uit de bek van het dier, dat van ouderdom helemaal donkergroen is geworden. Alleen zijn snuit blinkt alsof hij blank gepolijst was en dat is hij ook door de vele honderden kinderen en de bedelaars, die hem met hun handen beetpakken en hun mond aan de bek van het dier zetten om te drinken.

(GESCHREVEN VOOR SCHILLERS ALBUM) In het Duitse land Württemberg, waar de acacia's zo heerlijk bloeien aan de weg en de appel- en perebomen in de herfst buigen van de rijpe zegen, ligt een klein stadje, Marbach.

Het behoort tot de heel kleine, onaanzienlijke steden, maar het is mooi gelegen aan de Neckar die langs steden, oude ridderburchten en groene wijnbergen voortsnelt, om zijn water te vermengen met dat van de trotse Rijnstroom.

Ik zal je een verhaaltje vertellen dat ik heb gehoord toen ik klein was. ledere keer dat ik het later weer hoorde, vond ik het nog mooier geworden, want met verhaaltjes gaat het net als met mensen: hoe ouder ze worden, hoe mooier. Dat is juist het leuke ervan. Je bent toch wel eens buiten de stad geweest? Je hebt toch wel eens een echt oud boerenhuisje met een rieten dak gezien? Daar groeit vanzelf mos en onkruid op. Op de nok zit een ooievaarsnest, want ooievaars kun je niet missen. De muren zijn scheef, de raampjes laag en er is er maar één dat open kan.

Pagina's

The CiffCiaff is seeking intrepid volunteers to add contents or translate the existing one.
If you’d like to help contact us!
Abonneren op RSS - Hans Christian Andersen
© 2010 CiffCiaff.org.