De gebroeders Grimm

Nederlands

Er was eens een kleermaker. Hij was een echte ruziemaker, en z’n vrouw, een goede, werkzame en vrome ziel, kon het hem nooit naar de zin maken. Wat ze ook deed, altijd was hij ontevreden; bromde, berispte haar, duwde en sloeg haar. Toen de overheid daarvan hoorde, lieten ze hem voorkomen en zetten hem gevangen, zodat hij een ander leven zou beginnen. Een tijdlang zat hij op water en brood, toen werd hij weer vrijgelaten, maar hij moest beloven, dat hij z’n vrouw nooit meer zou slaan, maar met haar in vrede leven, lief en leed delen zoals dat onder gehuwde mensen hoort.

Een arme houthakker leefde eens met zijn vrouw en zijn drie dochters in een klein huisje aan de rand van een eenzaam bos. Eens op een morgen, toen hij weer naar zijn werk ging, zei hij tegen zijn vrouw: "Laat me het middageten door ‘t oudste meisje brengen, buiten in het bos; anders kom ik niet klaar. En om haar niet te laten verdwalen," voegde hij erbij, "zal ik een zak gerst meenemen en de korrels op de weg strooien." Toen de zon hoog boven ‘t bos stond, ging ‘t meisje met een pan vol soep op weg.

Heel anders dan Luie Hans en Dikke Trien, die zich nergens wat van aantrokken en zich door niets in hun kalmte lieten storen, – heel anders dacht Mager Liesje. Die sloofde zich af van de morgen tot de avond, en ze droeg haar man, de Lange Leun, zoveel werk op dat hij er meer aan te dragen had dan een ezel aan drie zakken. Maar dat was allemaal zonder resultaat, ze hadden niets en ze kwamen tot niets. Op een avond dat ze in bed lag en van moeheid haast geen vin kon verroeren, kon ze van ‘t vele denken toch niet in slaap komen.

Eens op een keer was er een arm, heel vroom boertje gestorven, en hij kwam toen voor de poort van de hemel. En tegelijkertijd is er een heel erg rijke heer geweest en die wou óók de hemel in. Daar kwam Sint Pieter met de sleutel, en hij doet open en laat de heer binnen, maar het boertje had hij, naar ‘t scheen, niet gezien, en meteen ging de poort weer dicht. Nu kon ‘t boertje van buiten horen, hoe de meneer met alle mogelijke vreugde in de hemel werd opgenomen en hoe ze daarbinnen muziek maakten en zongen.

Er waren eens een man en een vrouw, ze hadden maar één kind en ze woonden in een zijdal helemaal alleen.

Eens op een keer ging de vrouw naar het bos, om dennenhout te sprokkelen, en ze nam de kleine Hans, die toen twee jaar was, mee. Het was juist lente en het kind had veel plezier in de bonte bloemen, en ze ging steeds verder met hem ‘t bos in.

D’r is eens een koning geweest. Maar wanneer die geregeerd heeft, en hoe die geheten heeft, dat weet ik niet meer. Een zoon heeft hij niet gehad; alleen maar een dochter, enig kind, en die was altijd ziek, en d’r was geen dokter die haar beter kon maken. En nu is die koning voorspeld, zijn dochter zou zich gezond kunnen eten – aan appelen. Toen liet hij over ‘t hele land bekend maken, dat wie er aan zijn dochter appelen bracht, waaraan ze zich gezond kon eten, die zou haar tot vrouw krijgen en later ook koning worden. Nou en dat hoorde een boer, en die had drie zoons.

Hein was lui. En ofschoon hij niets anders te doen had, dan elke dag de geit naar de wei te brengen, zuchtte hij toch nog diep, als hij na zijn volbrachte dagtaak ‘s avonds thuiskwam. "Het is stellig een zware taak," zei hij, "een moeitevolle arbeid, zo’n geit jaar in jaar uit tot diep in de herfst te hoeden. En als je dan tenminste nog eens kon gaan liggen en een tukje doen! Maar nee. Overal moetje ogen hebben, anders knabbelt hij aan de jonge boompjes, of hij loopt door een hek een tuin binnen, of hij probeert weg te lopen.

Laat niemand zeggen dat een arme kleermaker het niet ver brengen kan en niet heel belangrijk kan worden; het ene nodige is dat hij bij de goede smid terecht komt en wat de hoofdzaak is, dat het hem lukt. Juist zo’n handig en flink kleermakersjongetje ging eens op een zwerftocht; en toen kwam hij in een groot bos, en omdat hij de weg niet wist, verdwaalde hij. De nacht viel, en er bleef niets anders over, dan in die gruwelijke eenzaamheid een plek te zoeken om te slapen.

Wat gelukkig is de heer en hoe goed gaat het met zijn huis, als hij een wijze knecht heeft, die wel naar zijn woorden luistert, maar er niet naar handelt, maar liever zijn eigen wijsheid volgt.

Drie vrouwen waren in bloemen omgetoverd. Ze stonden buiten op het land, maar één van hen mocht ‘s nachts thuis zijn. En die zei eens tegen haar man, toen de dag weer aanbrak en ze weer naar ‘t land moest naar haar makkers om een bloem te worden: “Als je me vanmorgen komt plukken, dan ben ik verlost en kan voortaan bij je blijven.” En zo gebeurde het. Maar nu is de vraag: hoe heeft de man haar herkend, want alle drie de bloemen waren volkomen gelijk en er was geen enkel onderscheid tussen?

Pagina's

The CiffCiaff is seeking intrepid volunteers to add contents or translate the existing one.
If you’d like to help contact us!
Abonneren op RSS - De gebroeders Grimm
© 2010 CiffCiaff.org.