De gebroeders Grimm

Nederlands

Er was eens een arme boer die ‘s avonds bij de haard zat en het vuur oppookte terwijl zijn vrouw zat te spinnen. Toen zei hij: "Wat is het toch jammer dat we geen kinderen hebben! Het is zo stil bij ons, en bij andere mensen is het altijd druk en vrolijk."

"Ja," zei de vrouw zuchtend, "al was het er maar één, en al was het nog zo klein, al was het maar zo groot als mijn duim, dan zou ik toch tevreden zijn, we zouden er veel van houden."

Vele jaren geleden was er eens een kleermaker, die drie zoons had en verder alleen een geit. Maar daar die geit hen allen tezamen met haar melk in leven hield, moest ze goed voer hebben en elke dag naar de wei worden gebracht. Dat deden de zoons dan ook om beurten. Eens bracht de oudste haar naar het kerkhof waar de mooiste planten stonden, hij liet haar daar weiden en rondspringen. Toen het ‘s avonds tijd was om weer naar huis te gaan, vroeg hij: “Geitje, zat gegeten?” En de geit antwoordde:

“Ik ben zo zat,
Ik wil geen blad, mè, mè!”

Eens gebeurde het, dat, op een mooie dag, onze Lieve Heer een wandeling ging maken in de tuin van de hemel, en Hij nam alle apostelen en alle heiligen mee, zodat er niemand meer in de hemel overbleef dan de heilige Petrus. Onze Lieve Heer had hem bevolen om in die tussentijd niemand binnen te laten, dus stond Petrus bij de hemelpoort en hield wacht.

Er was eens een man, die een dochter had, die knappe Elsje heette. Toen zij volwassen was geworden, zei de vader: “Wij moeten haar uithuwelijken.” - “Ja,” zei de moeder, “als er maar iemand kwam, die haar wilde hebben.” Eindelijk kwam er iemand van ver weg, die Hans heette en om haar hand vroeg; hij stelde echter de voorwaarde, dat knappe Elsje dan ook werkelijk pienter moest zijn.

In Zwitserland leefde eens een oude graaf. Hij had maar één zoon. Maar die was dom en kon niets leren. Toen zei de vader: "Hoor eens, jongen. Ik kan niets in je hoofd krijgen; wat ik beginnen moet, ik weet het niet. Je moet weg van hier. Ik zal je bij een beroemde meester in de leer doen; die moet het maar proberen." De jongen werd naar een vreemde stad gestuurd, en bleef bij de meester een vol jaar lang. Na die tijd kwam hij weer naar huis, en de vader vroeg: "Nu, mijn zoon, wat heb je nu geleerd?"

"Vader, ik heb geleerd, wat de honden blaffen," antwoordde hij.

Hans’ moeder vraagt: "Waar ga je naar toe, Hans?"
Hans antwoordt: "Naar Grietje."
"Gebruik je verstand, Hans."
"Zal wel gaan moeder. Tjuus moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag, Grietje!"
"Dag Hans! Heb je wat meegebracht?"
"Niks, geef maar wat."
Grietje geeft Hans een mooie speld. Hans zegt: "Tjuus, Grietje."
"Tjuus, Hans."
Hans neemt de speld, steekt hem in een hooiwagen en gaat achter de hooiwagen aan, naar huis. "G’n avond, moeder."
"G’n avond Hans. Waar was je?"
"Bij Grietje."
"Had je d’r wat meegebracht?"

Een molenaar was gaandeweg tot armoe vervallen. Hij had niets meer dan zijn molen en nog een grote appelboom die erachter stond. Op een keer was hij naar het bos gegaan om hout te halen. Daar trad een oude man op hem toe. Hij had hem nog nooit gezien. Hij zei: "Wat sjouw je toch met dat hout; laat mij je tot een rijk man maken, wanneer je mij maar geeft, wat achter je molen staat." "Wat kan dat anders zijn dan de appelboom?" dacht de molenaar en zei "ja" en bezegelde zijn belofte op schrift.

Er waren eens een luisje en een vlootje. Ze hadden samen een huishoudinkje opgezet en brouwden bier in een eierschaal. Toen het bier kookte in de dop, viel het luisje er in en verbrandde. Daar begon het vlootje luid te schreien. En het kamerdeurtje zei: “Maar vlootje, waarom huil je zo?” – “Omdat 't luisje verbrand is!”

Toen ging het deurtje piepen. Het bezempje dat in de hoek stond, zei: “Waarom piep je zo, deurtje?” – “Zou ik niet piepen?

Luisje is verbrand,
Vlootje schreit!”

Er was eens in een land een grote plaag; het was een wild zwijn dat bij de boeren de akkers omwoelde, het vee doodde en de mensen met zijn slagtanden het lichaam openreet. De koning loofde een grote beloning uit voor ieder die het land van deze plaag bevrijden zou, maar het dier was zó groot en zó sterk, dat niemand dicht in de buurt durfde te komen van het bos waar het zich ophield. Uiteindelijk maakte de koning bekend dat degene die het dier ving of doodde, zijn enige dochter tot vrouw zou krijgen.

Een man had een ezel, die al jaren lang onverdroten de zakken naar de molen had gedragen maar wiens krachten nu begonnen af te nemen, zodat hij steeds ongeschikter voor zijn werk werd. Toen dacht zijn meester erover hem maar weg te doen om hem niet langer in de kost te hebben; maar de ezel kreeg in de gaten, dat de wind in de verkeerde hoek zat, smeerde “m en ging op weg naar Bremen. Daar, zo meende hij, kon hij wel stadsmuzikant worden. Toen hij een poosje gelopen had, trof hij op de weg een jachthond aan die lag te hijgen als iemand die moe is van het harde lopen.

Pagina's

The CiffCiaff is seeking intrepid volunteers to add contents or translate the existing one.
If you’d like to help contact us!
Abonneren op RSS - De gebroeders Grimm
© 2010 CiffCiaff.org.